Historie: Hans Bloks

Hans Bloks

Vrijdag 21 februari, Hij begint begin maart aan een nieuw hoofdstuk in zijn nog prille carrière. Na een prima seizoen bij het wielerteam van Bloks/Nijdam probeert Hans Bloks de opgaande lijn door te trekken bij Löwik/Tegeltoko, één van de beste amateurformaties in Nederland.Hans Bloks won vorig jaar één keer, in de Ronde van Waubach, en stond vaak op het podium. Aan het einde van een uitstekend jaar kwam de beloning in de vorm van een telefoontje van Han Vaanhold, manager van Löwik/Tegeltoko. ‘Het eerste contact was er na de Van Keulen Omloop, eind augustus. Daar zitten wat bergjes – of beter; pukkeltjes – in en daar wist ik de forcing te voeren. Dat had een zodanige indruk achtergelaten, dat Vaanhold me kort daarna belde.’Lang hoefde de 20-jarige Stiphoutenaar niet te twijfelen. Hij kon bij Bloks Wielerteam/Nijdam blijven, dat toen nog graag een tradeteam wilde worden, maar de keuze voor Löwik/Tegeltoko was er één met het oog op de toekomst. De formatie van Vaanhold en Frits Schür is gerenommeerd. ‘Deze ploeg is in mijn ogen niet minder dat Rabo TT3. Löwik/Tegeltoko heeft de jongerenkoersen op nationaal niveau vorig seizoen gedomineerd. Geen slecht woord over Bloks, maar de organisatie bij deze ploeg is natuurlijk beter, professioneler, met een beter programma. Het is weer een stap vooruit. Ze hebben ook de perfecte combinatie van jong en oud.’Bloks’ streekgenoot Piet Rooijakkers uit Gerwen, deze winter overgekomen vanuit Van Hemert Groep, staat morgen aan het vertrek in de Ster van Zwolle, de traditionele opening van het amateur-wielerseizoen. Bloks’eerste koers staat gepland voor begin maart, Brussel-Opwijk.Met het zelfvertrouwen van de Stiphoutenaar zit het wel snor. Hij heeft een goede voorbereiding achter de rug, met een trainingsweek in Zuid-Frankrijk begin februari en vier trainingsweekeinden met zijn nieuwe ploeggenoten. Vorig jaar heeft hij veel aan inhoud gewonnen. Het beloofde een lastig jaar te worden. Hij moest het fietsen combineren met een stagejaar in het kader van zijn studie aan het ROC Helmond, richting sociaal juridisch. ‘Ik werkte in Venray in een uitzendbureau. Elke ochtend om kwart over zeven fietste ik daarnaar toe, ‘s avonds terug. Met wat uurtjes extra kwam ik dan toch wel aan mijn trainingsarbeid.’Het seizoensbegin was weifelend, Bloks kampte met problemen met zijn bloedwaarden, maar in de criteriums reed hij zich langzaam in vorm. Een zware valpartij halverwege Olympia’s Tour – daags voor de Koninginnerit waar hij zich als klimspecialist wilde laten zien – leidde een moeilijke periode in. Een gekneusde knie dwong hem tot enkele weken rust in een cruciale periode met de Ronde van Limburg en het NK in Nijmegen. ‘Toen heb ik wel even een dip gehad, mentaal. Ik ben nadien een week naar de Alpen geweest, waar ik goed heb kunnen trainen. Daarna is het eigenlijk steeds beter gegaan. Toen kwamen ook de uitslagen. Als je vaker op het podiumrijdt, wordt de motivatie ook steeds groter.’Bloks leerde veel. ‘Je krijgt meer zelfvertrouwen. Als ik als eerstejaars amateur de slag miste, weet ik dat altijd aan gebrekkig tactisch inzicht. Maar als je sterk genoeg bent, kun je er altijd nog naartoe fietsen. Vorig jaar heb ik gemerkt dat je het uiteindelijk allemaal zelf afdwingt.’Dat besef neemt hij mee naar het nieuwe seizoen. Hij realiseert zich dat de verwachtingen hoger zullen zijn. ‘Het wordt een stuk serieuzer nu. En zo pak ik het ook aan. Ik zit elke dag op de fiets en probeer altijd mijn uren te maken. De druk zal toenemen, inderdaad. Maar daar ben ik niet bang voor. Het is niet zo dat me dat niets doet, ik kan er best veel mee bezig zijn in het koppie, maar ik ga er doorgaans niet slechter door presteren. De druk en verwachtingen horen er gewoon bij. Ik wil ook gewoon goed zijn en me laten zien.’Alles met het uiteindelijk doel om straks door te stoten naar de profs. ‘Natuurlijk is dat een droom. Maar ik schreeuw dat niet van de daken, zoals sommige anderen. Vind ik nogal gewaagd; er kan zo snel iets tussenkomen, zoals een blessure.’Lachend: ‘Ik laat liever de benen spreken.’ (Uit: ED 2003. Tekst: Frank van den Heuvel)